Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Hollands Ankeveense plassen liggen op de overgang tussen de hooggelegen Utrechtse Heuvelrug en het laaggelegen Vechtdal. Het is een gebied met ondiepe plassen, petgaten en legakkers (ontstaan door veenwinning in het verleden), rietmoeras, moerasbos en graslandpercelen. Van oudsher komen er specifieke natuurtypen voor, deels gekoppeld aan het opwellen van grondwater vanuit de Heuvelrug. Het gebied is belangrijk voor voedselarme verlandingsvegetaties, watervegetaties die horen bij laagveenplassen en moerasvogels. Het waterschap houdt het water in de polder (plassen en naastgelegen graslandgebied) op een vast peil met behulp van stuwen en pompen. In de zomer is het nodig om gebiedsvreemd water in te laten vanuit de Vecht en de ’s-Gravelandse Vaart.
Hollands Ankeveense plassen (NL11_6_2) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 104 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
4210-EAG-1 (Hollands Ankeveensche Polder, Hollandsch Ankeveensche Polder bemalen), 4210-EAG-2 (Hollands Ankeveensche Polder, Ankeveensche Plassen HAP noord), 4210-EAG-3 (Hollands Ankeveensche Polder, Ankeveensche Plassen HAP zuid), 4210-EAG-5 (Hollands Ankeveensche Polder, Ankeveense Plassen HAP oost)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Wijdemeren. Het waterlichaam Hollands Ankeveense plassen heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Natuurmonumenten.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn gericht op ‘kranswiervegetaties’ en ‘meren met Krabbenscheer en Fonteinkruiden’. Daarnaast zijn er nog kleine restanten van andere doeltypen, namelijk hoogveenbos, galigaanmoeras en trilveen. Het doel voor alle typen is ‘uitbreiding van de oppervlakte’ en ‘verbetering van de kwaliteit’. Ook is het gebied belangrijk voor verschillende soorten moeras- en watervogels, onder andere de Zwarte Stern en de Grote Karekiet. Daarvoor is voldoende oppervlakte Krabbenscheer (voor Zwarte Stern) en stevig waterriet (voor Grote Karekiet) nodig. Het doel is deze zones te herstellen en uit te breiden.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –slecht
De toestand in Hollands Ankeveense plassen (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is slecht. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.

De biodiversiteit, planten van schoon water, fytoplankton en macrofauna zijn sinds 2006 sterk achteruit gegaan. Vooral in EAG 5 is sinds 2017 een sterke verslechtering van de ecologische kwaliteit te zien. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont geen trend. De score op de maatlat Waterflora vertoont een negatieve trend (-0.11 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.12 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.08 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Fosforconcentraties zijn verdubbeld gedurende de laatste planperiode, maar dit is niet te zien in de toetsing omdat deze achteruitgang zich binnen de klasse ‘slecht’ afspeelt.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Fosfaatrijk water stroomt vanuit de oostelijk gelegen gebieden de plassen in. Naast fosfaatbelasting kunnen ook andere factoren een rol spelen, zoals dominantie van brasem en vraat door ganzen en kreeften.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn vooral gericht op het verminderen van de fosfaatbelasting van de plassen, door het afkoppelen van de waterstromen die fosfaatrijk water aanvoeren vanuit het oostelijk gelegen (voormalig) landbouwgebied in de polder. Natuurmonumenten neemt ook maatregelen gericht op verminderen van de fosfaatbelasting, zoals stoppen met bemesten, afgraven van bovengrond, kappen van boomopslag en baggeren van de plassen. Daarnaast zijn er ook maatregelen gericht op het vergroten van de robuustheid (draagkracht) van het systeem. Als de fosfaatbelasting voldoende is gereduceerd dan worden ook maatregelen uitgevoerd om brasem en kreeft te beheersen.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. Er is sprake van algenbloei en het water is op veel plaatsen troebel. Vooral de hoeveelheid en samenstelling van de waterplanten gaat achteruit. De aanvoer van fosfaat is te hoog. Het grootste deel van het fosfaat is afkomstig van het oostelijke deel van de polders. Het water daar is fosfaatrijk door uitspoeling uit het land en het watert via de plassen af. Het gebied is langdurig agrarisch gebruikt (bemest). Bovendien treedt veenafbraak op door verlaging van grondwaterstanden in het verleden, waarbij voedingsstoffen vrijkomen. Plaatselijk komt ook veel fosfaat via bladval in het water terecht. De draagkracht van deze plas is laag door de combinatie van een lange strijklengte, anorganische waterbodem en hoge brasembiomassa’s.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. Grote aantallen brasems beperken het lichtklimaat, doordat ze de bodem omwoelen. In de waterbodem in Hollands Ankeveen komt veel anorganisch materiaal voor dat gemakkelijk opwervelt. Baggeren in dit gebied is daarom een risico voor het lichtklimaat. Makkelijk opwervelende kleilagen kunnen door baggeren blootgelegd worden.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem. Lokaal ligt er in de Hollands Ankeveense plassen een te dikke sliblaag op de bodem (> 20 cm.). Natuurmonumenten heeft de afgelopen jaren een deel van de dikste sliblagen al weggebaggerd.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Oeverplanten zijn minder goed ontwikkeld dan vroeger (1950). Er is sprake van een slappe bodem, waarin ze moeilijker wortelen. Door de hoge productie van algen en woekerende planten blijft er te weinig koolstof over voor planten van schoon water, zoals kranswieren. Er wordt ook steeds minder koolstof aangevoerd via kwelwater. Veel bomen zorgen voor beschaduwing boven de oevervegetatie. Een mogelijk risico van het afkoppelen van de waterstroom vanuit het oostelijk deel is dat daarmee ook resterend kwelwater dat nog in de polder naar boven komt niet meer in de plassen terecht komt. De calciumtoevoer kan afnemen waardoor de kranswiervegetatie en de voedselarme verlandingsvegetatie zich minder goed kan ontwikkelen.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. De route van en naar de Vecht is voor vis passeerbaar. De plassen zijn voldoende groot voor stabiele populaties.
esficon Verwijdering vormt een probleem omdat vraat door ganzen een mogelijk knelpunt vormt voor de ontwikkeling van oevervegetatie. Er is een scherpe overgang te zien in vegetatie tussen land en water en een lage emerse bedekking. De uitheemse rivierkreeft kan een bedreiging zijn voor de ondergedoken watervegetatie.
esficon Organische belasting staat onder druk. Er zijn geen riooloverstorten die lozen op het waterlichaam en er staan niet bijzonder veel bomen. Bladinval door bomen kan lokaal wel een probleem zijn in EAG 2 en 5.
esficon Toxiciteit is at risk. In de polder ligt een voormalige vuilstort. Nabij de vuilstort wordt een hoge toxische druk gemeten door hormonen en huishoudelijk afvalwater. De stoffen die dit veroorzaken zijn lastig te meten.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Achtergrondrapport ecologie WGP NVP (2019).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Baggeren, bezanden of ijzersuppletie De waterbodem in de noordelijke petgaten is redelijk voedselrijk en levert na. Baggeren is kostbaar en leidt mogelijk tot een tijdelijke verslechtering en een onwenselijk baggerdepot. Deze maatregel heeft ook invloed op de productiviteit van de waterbodem (ESF3). Met Natuurmonumenten wordt afgestemd hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Natuurmonumenten 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Brasem verwijderen Deze maatregel is pas zinvol als de waterstromen zijn omgeleid en de fosfaatbelasting onder de bovenste kritische belasting ligt. Ook is van belang dat de maatregel om visintrek te voorkomen wordt of is uitgevoerd. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Bemesting beperken door aanpassing pachtcontracten Pachters mogen volgens huidige langlopende contracten nog fors bemesten. In nieuwe contracten mag beperking van de mestgift worden opgenomen. Met Natuurmonumenten wordt afgestemd hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Natuurmonumenten 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Luwtestructuren: legakkerherstel in het grote open water aan de zuidkant (EAG 3) Het terugdringen van de externe fosfaatbelasting alleen is onvoldoende voor een spontane omslag naar helder en plantenrijk water. Door de aanleg van windbrekers of luwtestructuren wordt het systeem robuuster en kan de omslag naar helder water eerder bereikt worden. We stemmen af met Natuurmonumenten hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Natuurmonumenten 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Uitheemse rivierkreeft beheersen Net als brasem kan kreeft zorgen voor een stabiele, ongewenste situatie zonder waterplanten. Biomanipulatie van kreeften, als eenmalige ingreep, kan het systeem dan laten omslaan naar een plantenrijk systeem. Daarin zullen de kreeften niet meer gaan domineren. Deze maatregel heeft pas zin als de andere sleutelfactoren op orde zijn. Daarvoor is nodig dat andere maatregelen zijn uitgevoerd: omleiden waterstromen, beperken fosfaatbelasting, brasem verwijderen en voorkomen visintrek. Deze maatregel heeft ook effect op verwijdering (ESF6). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Omleiden waterstroom vanuit achterland Hollands Ankeveense Plassen Het gaat om het afkoppelen van het achterland, waarbij het neerslagoverschot via een nieuw gemaal direct op de ’s Gravenlandse vaart. Deze maatregel heeft ook invloed op ESF8, toxiciteit. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Stoppen bemesten van gronden van NM met kortlopende overeenkomsten De oorspronkelijke kwantitatieve doelstelling van de maatregel was het uitvoeren van de beheermaatregel op 154 hectare in het plassengebied opgedeeld in:• Het stoppen van bemesten op 30 hectare in het gebied van Hollands Ankeveense plas• Het stoppen van bemesten op 55 hectare in het gebied van Stichts Ankeveense plas• Het stoppen van bemesten op 69 hectare in het gebied van de Kortenhoefse plassen Natuurmonumenten 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Visintrek voorkomen na verwijderen brasem Massale intrek van brasem kan worden voorkomen door de instellingen van het visvriendelijke gemaal aan te passen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 1 De maatregel betreft het verwijderen van boom- en groenopslag langs watergangen in het legakkergebied van het centrale deel van de plas en rondom de petgaten.De maatregel wordt als onderdeel van één maatregelpakket (C10) door Natuurmonumenten uitgevoerd in het kader haar LIFE-subsidiecontract met de EU.De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Natuurmonumenten 2015-2021
esficon SGBP2 2015-2021 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, baggeren waterbodem Het gaat om het baggeren van de waterbodem in het gehele plassengebied, door Natuurmonumenten als onderdeel van hun LIFE-subsidiecontract met de EU uitgevoerd.Deze maatregel vervangt twee eerder opgevoerde KRW-maatregelen:- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 2 (code 91144)en - Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 2 - effect 2 (code 91140)De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Effect: nihil Natuurmonumenten 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Holl. Ank. plassen, baggeren waterbodem (extra) Aanvulling op de oorspronkelijke maatregel (120.000m3): Er is meer gebaggerd omdat is gebleken dat de bagger fosfaatrijk is. Natuurmonumenten 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, baggeren waterbodem Het gaat om het baggeren van de waterbodem in het gehele plassengebied, door Natuurmonumenten als onderdeel van hun LIFE-subsidiecontract met de EU uitgevoerd.Deze maatregel vervangt twee eerder opgevoerde KRW-maatregelen:- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 2 (code 91144)en - Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 2 - effect 2 (code 91140)De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Natuurmonumenten 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 2 Het baggeren in de petgaten oost- en westzijde van hoofdwatergang.De maatregel is in het kader van het LIFE-subsidiecontract tussen Natuurmonumenten en de EU in de tijd naar voren getrokken en wordt in samenhang met de maatregel Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 2 - effect 2 uitgevoerd.De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Natuurmonumenten 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 2 - effect 2 Het baggeren in westhoek van de grote plas.De maatregel is in het kader van het LIFE-subsidiecontract tussen Natuurmonumenten en de EU in de tijd naar voren getrokken en wordt in samenhang met de maatregel Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 2 uitgevoerd. De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Natuurmonumenten 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Intensivering van rietbeheer langs de oevers van plassen Natuurmonumenten Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met Natuurmonumenten hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Natuurmonumenten 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Graven nieuwe petgaten in achterland HAP Deze liggen in zone waar nog kwel is. Buiten het waterlichaam. Natuurmonumenten 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Hollands Ankeveense plassen, fase 1 - effect 1 De maatregel betreft het verwijderen van boom- en groenopslag langs watergangen in het legakkergebied van het centrale deel van de plas en rondom de petgaten.De maatregel wordt als onderdeel van één maatregelpakket met:- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Kortenhoefse plassen, fase 1 - effect 1,- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Stichts Ankeveense plassenen- Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Tienhovense plassendoor Natuurmonumenten in het kader haar LIFE-subsidiecontract met de EU uitgevoerd.De uitvoering van de maatregel loopt overeenkomstig de duur van het subsidiecontract van 2013 tot en met 2018. Natuurmonumenten 2009-2015
esficon SGBP1 2009-2015 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 2-zijdig: visvriendelijke pompen en aparte intrekmogelijkheid naar polder. Hier moeten de instellingen nog worden aangepast om massale intrek van brasem te voorkomen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. Gebiedsakkoord Oostelijke Vechtplassen 2021-2027
esficon SGBP3 2021-2027 Effecten van de vuilstort beperken, mitigeren en/of compenseren Het risico bestaat dat voedselrijk en toxisch water vanuit de stort in het gebied komt. Het is nog onduidelijk hoe groot het gebied is dat wordt beïnvloed door de vuilstort. Het is wenselijk om het effect beter te kwantificeren en zo mogelijk maatregelen te nemen. We stemmen met de eigenaar af hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Uitbreiding door aanleg faunapassage N236. Het noordoostelijke landbouwgebied wordt afgekoppeld van de plas en watert niet meer af via de plassen, daarom is dit peilvak geen onderdeel meer van het waterlichaam. Eigenlijk zou het N2000-gebied in de oostelijke polder ook als (apart) waterlichaam moeten worden begrensd.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.